De Weinschenker

wijngaarden shiraz-druiven

Ampelographie VII

met de druivensoorten  Barbera   Cabernet Sauvignon - Cabernet Franc   Carignan   Mueller-Thurgau - Rivaner   Pinotage   Sauvignon   Silvaner   Trebbiano

Korte ampelographie I (druivenkunde) met o.a. Malbec, Merlot, Amarone en de Wijnstok
Ampelographie II druivensoorten van Aghiorgitiko tot Epinette
Ampelographie III druivensoorten van Faberrebe tot Muscadet
Ampelographie IV druivensoorten van Nasco tot Ruländer
Ampelographie V druivensoorten van St. Laurent tot Zweigeld
Ampelographie VI 'De ontelbare aantallen druivensoorten van Paronetto' Ampelographie VIII Artikelen over druivenaanplant, druiven, bescherming, oogsten e.z.v.
Beelden-Galerie van Druivensoorten


Barbera Barbera  Dit is een typische Italiaanse wijnstok, ofschoon deze niet alleen in verschillende delen van ItaliŽ wordt verbouwd, maar ook in andere streken, zelfs buiten Europa. Er bestaan geen echt andere namen voor, hoewel Molon in zijn Ampelographie er nochtans een heel rijtje geeft, zoals b.v. Barbera d'Asti, de groen- en de roodstelige Barbera. Uiterst merkwaardig is, dat historische documentatie m.b.t. zulk een belangrijke en veelvoorkomende wijnsoort niet verder teruggaat dan tot het eind van de 18de eeuw.
De rank de top ervan vouwt zich open, is vrij wit van kleur en de uiteinden ervan zijn bedekt met fijne haartjes; als de jonge blaadjes zich ontvouwen, ziet men deze haartjes ook op de bovenkant van het blaadje; aan de onderkant treft men dan een dik wittig dons aan, en de blaadjes vertonen een roodachtige tint en zijn aan de kanten zelfs purper; de jonge onderblaadjes vertonen datzelfde soort spinrag aan de bovenkant en een wollig ondoorzichtig groen dons aan de onderkant.
Het blad middelgroot, vijfkantig, vijflobbig; de stengelinham is gewoonlijk gesloten en de randen ervan vallen over elkaar heen. De bovenste zijinkepingen zijn gewoonlijk gesloten, de onderste open; aanvankelijk is de bovenkant van het bladoppervlak donkergroen, later neemt het een bronskleur aan en wordt in de zomer langzamerhand rood; de nervatuur is borstelig, groen en aan de onderkant enigszins rood getint; de bladschijf is wat puisterig: de bladranden zijn onregelmatig getand maar met steeds een brede insnijding.
Bladstengel middelgroot, roodachtig gekleurd.
Tros middelgroot, piramidaal gevormd (soms ook cilindrisch), schamel of dicht, al naargelang de rnilieu omstandigheden en de biologische conditie van de planten zelf; steel tamelijk lang, half verhout, roodbruin; bloemsteeltjes van gemiddelde lengte, roodkleurig, vruchtbodem zichtbaar, roodachtig; kelkblaadjes rood, kort.
Druif middelgroot, ellipsvormig, regelmatig van vorm; schilletje sterk bedauwd, helder blauw, rijk aan looistof, dun maar toch betrekkelijk stevig; vruchtvlees tamelijk sappig, van een vlakke smaak, enigszins zoetzuur; vruchtensap kleurloos.
Pitjes gewoonlijk twee per druif, zelden drie, iets groter dan de gemiddelde omvang en voorzien van een lang dun halsje.
Takken sterk, maar na verhouting nochtans vrij zacht en veerkrachtig; moeilijk verwijderbare bast, zo tegen donkerbruin met een zeer karakteristieke streeptekening; de doorsnede hiervan is elliptisch; de knoppen steken ver uit en zijn kegelvormig: de leden zijn van een gemiddelde lengte (10-12 cm).
De stok (stam) sterk.
Kweekkwaliteiten en -gedrag behoorlijk goed, maar niet uitzonderlijk; productie constant, zelfs enigszins overvloedig; de onderste vruchtdragende scheut bevindt zich aan de derde knoop (soms ook aan de tweede); gemiddeld aantal bloemtrosjes per scheut: gewoonlijk twee, zelden één; vruchtbaarheid van de uitlopers: praktisch geen; weerstand tegen slechte weersomstandigheden: tamelijk gevoelig voor vorst en rijp - in de herfst kan veelvuldige neerslag rotting veroorzaken bij de druiven en er kan ook schade worden toegebracht door motten.
Entgedrag: Kruisingen van de Riparia met de Rupesiris zijn opgegeven, omdat vooral de entingen op de 3309 vaak mislukten; men heeft de voorkeur gegeven aan de 420 A en de Kober 5 BB (ofschoon bij de laatste de rijping van de druiven niet altijd even vlot verloopt).

Cabernet Franc Cabernet Sauvignon - Cabernet Franc de meest geplante druif in Zuid-Frankrijk van deze wijnstok, die oorspronkelijk stamt uit de streek rond Bordeaux (Frankrijk), bestaan twee ondersoorten en deze worden in veel landen verbouwd (Bulgarije, Frankrijk, ItaliŽ, Rusland, Zwitserland, Hongarije, Marokko, ArgentiniŽ, Chili, CaliforniŽ, Zuid-Afrika en AustraliŽ). De meest voorkomende is de Franse Cabernet, die een uitstekende rode tafelwijn voortbrengt. De andere is de Cabernet Sauvignon, waarbij we alleen melding maken van die rnorphologische kenmerken, die verschillen van die van de eerste soort. We moeten hierbij ook onderscheid maken tussen de Cabernet Sauvignon en de Sauvignon als zodanig, welke laatste o.a. witte druiven draagt (in feite is het velletje goudgroen).
De ranke top lichtgroen met rose tinten, fluwelig bij de Cabernet Franc en wollig bij de Cabernet Sauvignon; de jonge topblaadjes zijn vijflobbig en hebben open inhammen (sinus) aan de zijkanten van het blad bij de eerste soort Cabernet, maar deze zijn vaak gesloten bij de tweede soort.
Blad middelgroot, vijflobbig; sinus bij het steeltje (als de bladschijf zich heeft ontplooid), nauw en V-vormig bij de Cabernet Franc, geheel gesloten bij de Cabernet Sauvignon, waarbij de bladranden elkaar overlappen (zoals dat ook het geval is bij de inkepingen aan de zijkant), hetgeen het onderscheid met de Cabernet Franc erg gemakkelijk maakt.
Bladsteel ongeveer hetzelfde bij beide soorten ongeveer middelgroot en middeldik, glad bij de Cabernet franc, iets minder bij de Cabernet Sauvignon,
Tros middellang, piramidaal en gewoonlijk nogal los bij de Cabernet franc; klein, cylindrisch - piramidaal en enigszins vast bij de Cabernet Sauvignon.
Wijnstokken van de Cabernet Sauvignon
De druif bij beide bijna gelijk, middelgroot (bij de Cabernet Franc een gemiddelde doorsnede van 14 mm, bij de Cabernet Sauvignon 13 1/2 mm). Bij de eerste rond; bij de tweede ongeveer rond; het huidwaas is dik en het velletje zelf is bij beide zwartblauw; het vruchtvlees is tamelijk stevig en heeft een uitgesproken zoete smaak, tamelijk kruidig.
Pitjes gewoonlijk twee per druif, middelgroot, peervormig.
Takken in beide soorten Cabernet zijn deze van een gemiddelde lengte en dikte, maar de bast is bij de Cabernet Franc gestreept en bij de Cabernet Sauvignon geribbeld; bij beide vertoont de doorsnede een enigszins elliptische vorm de kleur van deze takken is lichtbruin met - vooral bij de knopen - een violette lint bij de Cabernet Franc en een licht gevlekte roodbruine tint bij de Cabernet Sauvignon; de leden tussen de knopen zijn niet zeer lang, de knopen springen duidelijk uit en bij beide typen zijn de knoppen voorzien van een brede knopbasis.
Kweekkwaliteiten en -gedrag zeer goed bij de Cabernet Franc, gewoon goed bij de Cabernet Sauvignon; een overvloedige en constante productie bij uitgeselecteerde ondersoorten van de Cabernet Franc, een goed en constant gemiddelde bij de Cabernet Sauvignon (aangezien deze enigszins gevoelig blijkt voor odium, een eivormige schimmel).
De wijn, afkomstig van deze Cabernets, heeft een uitgesproken kruidige smaak (wilde kruiden, viooltjes). Deze kruidige smaak zal uiteraard al naar gelang de grondsoort in meerdere of mindere mate op de voorgrond treden.

Carignan Carignan  Deze wijnstok, die zowel in Frankrijk, ItaliŽ als in Spanje wordt geteeld (dit laatste land is waarschijnlijk het land van herkomst), maar tevens in Algerije, Marokko en IsraŽl, groeide in de wijngaarden rond de Middellandse Zee al vele, vele jaren geleden. Zo komt het, dat deze wijnstok op vele plaatsen thuis is geraakt, zoals blijkt uit de namen, die hij in de loop der eeuwen heeft gekregen: Carignan en Bois Dur in Frankrijk, Carinena en Mazuela in Spanje, Uva di Spagna in ItaliŽ enz. Ook in CaliforniŽ wordt deze wijnstok verbouwd.
Rank gespleten top, witgroen met dons onderaan; jonge topblaadjes spreiden zich uit of hangen licht over; geel-wit met bronzen tinten en donzig aan de bovenkant, bijna wit en fluwelig aan de onderzijde; de onderste jonge blaadjes zijn boven lichtgroen en bleekgroen aan de onderkant, terwijl deze onderkant ook nog donzig aanvoelt.
Blad van een gemiddelde grootte, handlobbig en de steelinkeping lier- of U-vormig; de zij-inhammen zijn lier- of V- vormig, smal, terwijl de bladranden parallel lopen; de bladschijf is vlak en van een normale dikte; de tobben zijn aan de bovenkant scherp geboekt; de nervatuur groen;de onderkant van het blad is lichtbehaard, lichtgroen, terwijl zowel de hoofdnerven als de secundaire nerven er duidelijk uitspringen. De tobben zijn duidelijk gezaagd, waarbij de tandjes recht of bijna recht zijn afgevlakt en de basis daarvan is nogal breed. Bladstengel gemiddelde lengte, tamelijk dik en glad, doorsnede met duidelijke gleuf (gootje).
Tros middelgroot (lengte 15-18 cm), piramidaal, gespreid (een of twee vleugels), dicht of tamelijk dicht, zichtbare steel, niet erg verhout, fors.
De druif middelgroot (middellijn 12-14 mm), enigszins eivormig (obovoide), regelmatig; huidje sterk 'berijpt', gelijkmatig blauw van kleur en van een gemiddelde dikte; vruchtinhoud vlezig, sap kleurloos of licht rosé; vruchtsteeltjes van gemiddelde lengte, groen; de vruchtbodem is duidelijk te zien, groen met kelkblaadjes van een gemiddelde lengte.
Pitjes gemiddeld twee per druif, peervormig, dun steeltje, gemiddelde grootte.
Takken van een gemiddelde lengte en sterkte, behoorlijk elastisch en gewoonlijk een paar uitlopers van een redelijke stevigheid; doorsnede praktisch rond;gestreepte bast en duidelijk zichtbare knopen@ leden tussen de knopen van gemiddelde lengte (6-12 cm), lichtbruin, waarbij het bruin zich ook in strepen kan hebben afgezet; kegelvormige knoppen met een nogal brede stengelzwelling, waarvan de doorsnede van een gemiddelde dikte is.
De stok (stam) behoorlijk stevig.
Kweekkwaliteiten en -gedrag overvloedige en constante productie; de onderste vruchtdragende rank ontspruit aan de eerste tot aan de vierde knoop; gemiddeld aantal bloemtrosjes per scheut: 1-2; vruchtbaarheid van de uitlopers: zo goed als afwezig; weerstand tegen ziekten en andere ongunstige omstandigheden: normaal bij veel voorkomende parasieten (sommige lieden echter zijn van mening, dat deze wijnstok weinig weerstand vertoont tegen Peronospora (valse meeldauw) en tegen het bovengenoemde odium). De Carignan blijkt als regel goed bestand te zijn tegen koudegolven in het voorjaar en eveneens tegen zilte winden. Hetgeen wel de reden zal zijn, dat deze wijnsoort in vele kuststreken wordt verbouwd, omdat men daar uiteraard vaak te maken krijgt met voorjaarsmist en kou.

Müller-Thurgau - Rivaner Müller-Thurgau - Rivaner  Een kruising tussen Riesling en Silvaner; gecreŽerd in een druivenkwekerij in Geisenheim (D) en Wädenswil (Ch) door Prof. Dr. H. Müller uit Thurgau in Zwitserland. Rijpt plusminus september. Bloemig, lichte muskaatsmaak, kruidig, geeft vooral droge en Ĺdroge wijn. Typische smaken en geuren zijn verder: groene appel, geranium, groene paprika, en honing. Müller-Thurgau (Paronetto) deze wijnsoort werd gekweekt door een Zwitserse arts Hermann Müller-Thurgau in Geisenheim, toen hij in 1880 een Sylvaner kruiste met een Riesling.
Rank gespleten top, bleekgroen, enigszins rose getint; de jonge topblaadjes ontvouwen zich geheel, waarbij het 2de en het 3de de topjes opgevouwen houden; de onderste blaadjes ontvouwen zich geheel, zijn tamelijk donzig, maar dat dons neemt vanaf het vierde blaadje geleidelijk af; de kruidachtige (nog niet verhoute) rank is glad en groen met enigszins gebronsde strepen.
Blad middelgroot, vijfhoekig en vijflobbig, heel zelden drielobbig;de stengelhechting vertoont een V- of U-vormige sinus en is soms bijna gesloten;de daarboven gelegen zij-inkepingen zijn diep, U-vormig en gesloten;de bovenkant is glad en donkergroen, de onderkant is iets ruwer en lichtgroen. Bladstengel van gemiddelde lengte en dikte, glad. geelgroen aan de ene kant en wijnrood aan de andere kant.
Tros vrij klein (ongeveer 15 cm lang), van een gemiddelde dichtheid.
De druif tamelijk ellipsvormig. met doorlopende navel, sterk bewaasd en gevlekt huidje, geelgroen en goud, dun; vruchtvlees sappig, met een aromatische smaak.
Kweekkwaliteiten -gedrag een behoorlijk vitale wijnstok met een overvloedige productie, die aan een vrij koel klimaat de voorkeur geeft; hij is erg gevoelig voor de grijze schimmel (Botrytis cinerea), maar weet daarentegen beter weerstand te bieden aan Peronospora en odium; de rijping van de druiven begint al in het begin van de tweede levenscyclus van de plant en dat mag nogal vroeg worden genoemd.

Pinotage Pinotage  de aparte druivensoort van Zuid-Afrika.
Is 1925/26 aan de Universiteit van Stellenbosch ontwikkelde kruising van Pinot Noir en Cinsault, in Zuid-Afrika Hermitage genoemd, waarmee de naam verklaart is: Pino...tage.
Deze hybride is vroegrijpend, wordt meestal apart gefiniviceerd en gebotteld en is uniek in Zuid-Afrika.
De geur heeft vele variaties: aardbeien en frambozen, ook banaan en met de rijpheid soms ook pruimen.
Hierbij voegen zich meestal nog aromen van planten, zoals pinien of kruidnagel.
De fustrijping van Amerikaans eiken brengt dan de bekende effecten van kokosnoten of de geur van nagellak.
Bij de smaak is de fruitigheid opvallend (heeft hij van de Cinsault), die zich in de mond uitbreid met min of meer looizuurstoffen en tannine, dat heeft met de vinificatie te maken.
Pinotage is niet de vooraan op de tong vleiende wijn omdat looizuur, stof en zuren met fruitigheid en extract moeilijk samen te brengen zijn.
De wijn is ruw en zacht tegelijk, dat is apart en juist de eigen aard hierbij.

Sauvignon Blanc Sauvignon  deze wijnsoort wordt verbouwd in Frankrijk, in de streek rond Bordeaux (langs de Gironde), langs de Sémillon (waar men ook wel de Muskadel of Muscadelle verbouwt) en vooral in Sauterne, een streek die beroemd is om zijn witte wijnen. De Sauvignon komt ook veelvuldig voor in andere streken o.a. ItaliŽ, dat deze wijnstok waarschijnlijk heeft ingevoerd uit de streek rond Bordeaux en niet vanuit Champagne zoals de naam, die door een aantal wijnbouwers in sommige streken aan deze wijnsoort werd gegeven - Champagne of Sciampagna - ten onrechte zou doen vermoeden. In overeenstemming met Bonnier en Levadoux betekent 'Sauvignon' wilde plant.
Rank enigszins uiteenwijkende top, donzig, tamelijk wit, met opvallend violet-rode vlekken aan de hoeken; topblaadjes ontvouwen zich geheel; de eerste daarvan zijn nogal wollig; de volgende twee geelgroen met goudoranje tinten; grotendeels aan de bovenkantbedekt met een spaarzaam dons; aan de onderkant zijn ze aanvankelijk wit met grote violet-rode vlekken, om vervolgens groen te worden als het dons verdwijnt; dfe onderste blaadjes (vanaf het vierde van onder) openen zich geheel, zijn doorgaans glad met slechts een licht dons aan de onderkant; ze zijn nogal bleek van kleur, vrijwel rond, terwijl de stengel-inham bijna altijd gesloten is.
Blad middelgroot, vrijwel rond, drielobbig (soms vijf), stengel-inhechting open U-vormig als de bladeren zich hebben ontplooid, maar wederom gesloten als het blad volledig is uitgerijpt; zij-inkepingen zwak herkenbaar top van de middelste lob is tamelijk stomp; de lobben blijven enigszins onduidelijk, de bladschijf zelf is kornvormig en vertoont wat golvende randen; de bovenkant van het blad is heldergroen en enigszins wrattig; de onderkant is bleekgroen, donzig en de nervatuur is eveneens van een heldergroene kleur; de gezaagdheid van het blad is onregelmatig, vrij ruw, maar, waar aanwezig, vertonen zich ook wel spitse punten.
Bladstengel gemiddelde lengte, paars-blauw-rood (violet).Tros kleiner dan de gemiddelde grootte, cilindervormig, dicht, gespreid; trossteel kort, dun, half-verhout: vruchtsteeltjes kort en pukkelig. De druif middelgroot, vrijwel rond, goudgroen velletje, gevlekt, dik en stevig; vruchtvlees tamelijk stevig, behoorlijk sappig; zoet van smaak, enigszins gekruid. Pitjes gemiddeld twee per druif, middelgroot. lang steeltje. Takken gemiddelde lengte, taai, weinig vertakkingen, dwarsdoorsnede bijna elliptisch; gestreepte bast, lichtbruingrijs van kleur, iets donkerder bij de knopen: leden zijn 7 tot 8 cm lang; knopen springen er duidelijk uit, evenals de knoppen.
Kweekkwaliteiten en -gedrag behoorlijk vitaal (bescheiden snoeien); vrij constante vruchtbaarheid; de eerste vruchtdragende rank ontspruit als regel aan de tweede knoop; gemiddeld aantal bloemtrosjes per rank: 1 (soms 2); vruchtbaarheid van de verdere uitlopers: geen; weerstand tegen plantenziekten en andere ongunstige omstandigheden: normaal; deze wijnplant is wel erg gevoelig voor druivenschimmel of andere rottingsverschijnselen. Afgezien van de poging om door 'edelrot' een speciaal smakende wijn tot stand te brengen, zullen de meeste wijnbouwers niet erg dankbaar zijn voor schimmelziekten en dus in mistrijke streken een andere variŽteit kiezen.

Sylvaner - Grüner Sylvaner - Sylvaner Verde Silvaner - Sylvaner - Grüner Sylvaner - Sylvaner Verde
B
erget is van mening dat deze wijnstok afkomstig is uit het Centrale Rijndal (Duitsland), maar hij vergeet niet te vermelden, dat anderen Stiermarken (Oostenrijk) als het meest waarschijnlijke stamland beschouwen. Goethe op zijn beurt benadrukt in de 'Ampélographie' van Viala en Vermorel (1901), dat de meeste wijnkundigen deze wijn afkomstig achten uit TranssylvaniŽ (RoemeniŽ). Maar hij gaf tevens uitdrukking aan zijn eigen mening, dat het land van herkomst van deze wijnstok inderdaad Oostenrijk moet zijn.
Op het ogenblik is de Sylvaner een veel voorkomende wijncultuur, vooral in Centraal Europa (en dit breidt zich zover uit, dat deze zelfs voorkomt in het Franse Departement van de Mosel en de Bas-Rhin en tot het noordelijke en centrale deel van het Italiaanse schiereiland), maar hij komt eveneens voor in Rusland en CaliforniŽ.
Deze variŽteit staat ook bekend onder de naam Crüner Sylvaner of de Silvaner gris, op grond van de lichtelijk grijze tint die het vruchtvelletje soms vertoont.
De rank top middelmatig gespreid, donzig, geelgroen; jonge topblaadjes enigszins gegolfd, licht donzig; bleekgroen met goudgele tinten, soms enigszins rossig aan de randjes; ook de onderste blaadjes zijn gegolfd, lichtgroen en vertonen een borstelige nervatuur aan de onderkant van het blad.
Blad vrij klein, zo goed als rond, gaaf of drielobbig; stengelinplant V- of U-vormig; bovenste zij-inhammen smal en open; de bovenste bladlob is scherphoekig; tobben blijven wat vaag, overlappen elkaar enigszins, de bladschijf is enigszins gegolfd; de bovenkant van het blad is lichtgroen, ondoorzichtig en vertoont allerlei blaasjes; de onderkant is zeer lichtgroen, terwijl de nerven nogal borstelig zijn, groen met een roodachtige basis en verder niet erg duidelijk; de gezaagdheid van het blad is klein van formaat, stomp, met bolle randjes,wel regelmatig.
Bladstengel kort, glad, dun, rossig groen.
Tros klein (10-12 cm), cilindervormig, vaak gespreid, tamelijk dicht; de steel niet erg lang, niet verhout, vruchtsteeltjes kort en groen; vruchtbodem tamelijk verdoken, groen en wrattig; vruchtvoetje klein en groen.
De druif middelgroot (gemiddelde doorsnede 14,4 mm), rond of enigszins eivormig (kan ook veroorzaakt worden door de onderlinge druk van de druiven op elkaar); velletje rijk 'berijpt', groengeel, dik, zacht, gevlekt met een duidelijke navel; vruchtvlees mals met een zeer eigen smaak.
Pitjes gewoonlijk twee per druif, regelmatig van vorm en middelgroot.
Takken tamelijk kort, niet erg vertakt, doorsnede enigszins elliptisch; gladde bast, leden kort (6-7 cm); knopen niet erg opvallend, roodbruin van kleur. Kweekkwaliteiten en -gedrag behoorlijk sterk en behoorlijk productief; onderste vruchtdragende rank ontspruit aan de tweede knoop; gemiddeld aantal bloemtrosjes per scheut: 1-2; vruchtbaarheid van de uitlopers: geen; weerstand tegen plantenziekten en andere ongunstige beÔnvloedingen: behoorlijk goed. Deze wijnplant is wel enigszins ontvankelijk voor schimmelziekten.
Rijpt iets eerder dan de Riesling en is bijzonder geschikt voor delicate droge wijn De middelgrote druif heeft een neutraal boeket met zachte zuren en geeft een stevige droge wijn. Typische geuren van kruisbessen, hooi, peren, karamel en rook van gebrand hout of getoast brood.

Trebbiano of Ugni Blanc Trebbiano Toscano - St Emilion - Ugni Blanc  De Trebbiano reeks is zeer uitgebreid en de verschillende variŽteiten daarvan worden met nogal veel verschillende namen aangeduid, zoals ook bij veel andere wijnsoorten het geval is Malvasia / Muscaat).
Op het ogenblik is het de meest verbouwde soort en dus die welke wij in dit korte overzicht beschrijven .En er een, die in een aantal voornaamste wijnproducerende landen wordt gekweekt (b.v. Bulgarije, ItaliŽ, Frankrijk, CaliforniŽ) Deze wijnsoort is reeds sinds 18eeuw bekend en werd toen aangeduid met de naam Trebbiano fiorentino.
Rank topje tamelijk gespreid en rond of donzig wollig, bleekwit met een purperen randje; de jonge topblaadjes schuiven gewoonlijk over elkaar heen, zijn wollig-donzig, wit met bleekbronzen oppervlaktetint; de onderste jonge blaadjes zijn bleekgroen, soms ook met deze licht bronzen lint, ze vertonen een licht rag aan de bovenkant en zijn wollig aan de onderkant.
Blad groot of middelgroot, vijfhoekig, vijflobbig, de stengelinzet is gesloten en de kanten daarvan vallen over elkaar heen. De zij-inkepingen van het blad raken elkaar of de randen daarvan schuiven enigszins over elkaar heen; dit geldt niet voor de onderste zij-inhammen, die u-vormig zijn en waarvan de randen parallel met elkaar lopen; de tobben zijn vlak : de top van de tobben is scherp gepunt; bladschijf is vlak, kwabt ook soms een beetje, terwijl het oppervlak dan blaasjes vertoont en licht gegolfd is; de bovenkant is groen, enigszins dof, terwijl de nerven lichtgroen zijn; de onderkant is wollig, bleekgroen van kleur, terwijl zowel de hoofdnerven als de secundaire en tertiaire nerven er duidelijk uitspringen: onregelmatig getand.
Bladstengel van een gemiddelde lengte, maar soms ook kort, dik, glad of met een heel dun spinragje bedekt, groen,vaak met een paarsroze tint; de dwarsdoorsnede vertoont een duidelijke gleuf.
De tros groot of middelgroot (lengte 18-25 cm en soms nog langer), tamelijk compact, vooral uitgegroeid in de lengte, waarbij men één tot twee vleugels kan aantreffen; de steel is duidelijk zichtbaar, niet- of half-verhout.
De druif middelgroot (middellijn 13-15 mm), bolvormig, regelmatig gevormd, weinig afwijkingen; het velletje is tamelijk dik 'bedauwd', de kleur varieert van groengeel tot roodgeel (dit hangt af van de kloon, een bepaalde celverbinding in de druif, waarbij de gameten zijn betrokken); het vruchtvlees is sappig, tamelijk stevig en het heeft een vrij vlakke smaak. De vruchtsteeltjes zijn van een gemiddelde lengte (6-8 mm).
Pitjes gemiddeld twee per druif, peervormig met een tamelijk dik steeltje.
De stok (stam) biologisch vitaal.
Takken lang, taai (ofschoon makkelijk snoeibaar), biologisch nogal vitaal, zodat er nogal wat uitlopers aan zullen komen, als men daar met snoeien niet zeer de hand aan houdt; doorsnede praktisch elliptisch; gladde bast of enigszins geribbeld, weinig bastdauw; leden tussen de knopen tamelijk lang([ 1-13 cm of nog langer), hazelnootkleurig, soms met lichte paarsroze tinten; de knopen springen er duidelijk uit en zijn vaak helderder van kleur; knoppen tamelijk groot en kegelvormig.
Kweekkwaliteiten en -gedrag productie tamelijk schaars en niet constant; de onderste vruchtdragende rank ontspruit aan de tweede, de derde of de vierde knoop; gemiddeld aantal bloemtrosjes per rank:1-2.
Proost   Zum Wohle   Prosit   Salute   Cherio   Sante
Wijn-Flessenpost naar De Weinschenker
ôDe Weinschenker0104